Hoe duidelijk moet een franchisegever zijn over wijzigingen in een franchiseovereenkomst?
Onlangs is een voor franchisegevers relevante uitspraak gewezen over hun informatieverplichtingen in het geval van wijzigingen in de franchiseovereenkomst.
Waar ging deze kwestie concreet over? Eind 2021 had een franchisegever aan haar franchisenemer laten weten dat er vanwege de invoering van de Wet franchise inhoudelijke aanpassingen nodig waren aan de op dat moment geldende standaard franchiseovereenkomst. Nieuwe contracten werden opgesteld en tijdens een vergadering van de franchiseraad stemden het bestuur van de franchisevereniging en de directie van de franchisegever unaniem in met de nieuwe standaard franchiseovereenkomst.
Relevant daarbij is om te vermelden dat er in de oude franchiseovereenkomst geen postcontractueel non-concurrentiebeding was opgenomen, maar in de nieuwe franchiseovereenkomst wél. Dat beding verbood de franchisenemer om gedurende één jaar na het einde van de franchiseovereenkomst in het rayon concurrerende activiteiten te ontplooien.
Een franchisenemer van deze formule ondertekende de nieuwe franchiseovereenkomst voor akkoord. Enkele jaren later – medio 2025 – ontstond tussen de franchisegever en deze franchisenemer een discussie, onder meer over de rechtsgeldigheid van het voorgenoemde postcontractuele non-concurrentiebeding.
Hoewel de franchisenemer de nieuwe franchiseovereenkomst eerder wel voor akkoord had ondertekend, was hij nu van mening – geparafraseerd – dat de aanpassingen in het non-concurrentiebeding in de nieuwe franchiseovereenkomst een aanmerkelijke verslechtering inhielden van zijn positie als franchisenemer. Eerst was er immers geen sprake van een postcontractueel non-concurrentiebeding, maar nu was hij wel daaraan gebonden. Hij was daar echter niet expliciet op gewezen door de franchisegever. Om die reden zou de franchisegever geen beroep kunnen doen op het non-concurrentiebeding.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2025:8931 - Klik hier voor de volledige uitspraak) oordeelt dat het postcontractuele non-concurrentiebeding in de nieuwe franchiseovereenkomst inderdaad een aanmerkelijke verslechtering inhoudt voor de positie van de franchisenemer ten opzichte van het vorige contract. Het had – aldus de voorzieningenrechter – op grond van de Wet franchise dan ook op de weg van de franchisegever gelegen om de franchisenemers tijdig te informeren over deze wijziging in de franchiseovereenkomst. En wel rechtstreeks zonder tussenkomst van de franchisevereniging en in niet mis te verstane bewoordingen, zodat de franchisenemers konden bepalen of en in hoeverre het nodig was om hun bedrijfsvoering aan te passen of feitelijke maatregelen te treffen.
Nu de franchisegever echter de franchisenemers niet tijdig en duidelijk heeft geïnformeerd over het toevoegen van het postcontractuele non-concurrentiebeding in de nieuwe franchiseovereenkomst kan de franchisegever geen beroep doen op het non-concurrentiebeding, aldus de voorzieningenrechter. Dat de franchisegever de wijzigingen heeft besproken in de franchiseraad met het bestuur van de franchisevereniging is volgens de rechter niet relevant. De franchisegever mocht er niet zonder meer vanuit gaan dat het bestuur van de franchisevereniging de leden – de franchisenemers – daarover zou informeren. Hoe dan ook acht de voorzieningenrechter het voorshands aannemelijk dat de franchisegever niet heeft voldaan aan haar informatieplicht jegens de franchisenemer omtrent het non-concurrentiebeding en is laatstgenoemde daaraan dan ook niet gebonden.
Zonder enige afbreuk te willen doen aan de wettelijke informatieverplichtingen die op een franchisegever rusten, is het opvallend dat een beding in een franchiseovereenkomst, die eerder willens en wetens voor akkoord is ondertekend door de franchisenemer, jaren later toch niet-afdwingbaar blijkt te zijn, omdat de franchisegever niet uitdrukkelijk heeft gewezen op de wijziging. Klaarblijkelijk wordt het de franchisenemer in deze kwestie op geen enkele wijze aangewreven dat hij geen (of onvoldoende) navraag heeft gedaan naar de wijzigingen in de nieuwe franchiseovereenkomst. Ondanks dat het duidelijk was dat er wijzigingen waren in de nieuwe franchiseovereenkomst ten opzichte van het vorige contract en ondanks dat er een vertegenwoordigend orgaan van de franchisenemers bij betrokken was. Verder blijkt m.i. niet duidelijk uit de uitspraak om welke juridische reden de franchisegever precies geen beroep (meer) kan doen op het non-concurrentiebeding. Het beding is (kennelijk) wel rechtsgeldig, maar vanwege de schending van de informatieverplichtingen kan de franchisegever er simpelweg geen beroep op doen.
Hoe dan ook is het signaal duidelijk; een franchisegever moet volgens deze rechter kristalhelder zijn over de wijzigingen die zij wil doorvoeren in haar nieuwe standaard franchiseovereenkomst. Worden de franchisenemers daarover niet voldoende geïnformeerd door de franchisegever dan kan dat tot problemen later leiden, zelfs vele jaren later. Een franchisegever kan er daarbij niet op vertrouwen dat (het bestuur van) de franchisevereniging - waarmee zij in conclaaf is – de franchisenemers voldoende informeert. Dit alles impliceert een verregaande informatieverplichting aan de zijde van franchisegevers.
Voor vragen over franchiseovereenkomsten en de Wet franchise kunt u contact opnemen met DayOne, Jan-Willem Kolenbrander (kolenbrander@dayonelegal.nl)
+31 6 16 06 60 00 | kolenbrander@dayonelegal.nl