inhoudingsvrijstelling dividendbelasting voor de actieve eu houdster(1)

Inhoudingsvrijstelling dividendbelasting voor de actieve EU-houdster: formele substance-eisen niet doorslaggevend

Bos |
22 oktober 2026

De Kennisgroep dividendbelasting en bronbelasting heeft, samen met de Kennisgroep internationaal belastingrecht, vennootschapsbelasting & winst, een nieuw standpunt gepubliceerd over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling van artikel 4 Wet op de dividendbelasting 1965 bij dividenduitkeringen aan een actieve houdstermaatschappij die is gevestigd in een andere EU-lidstaat (KG:024:2026:2). Het standpunt bevestigt dat het niet voldoen aan de loonkosteneis van EUR 100.000 niet zonder meer aan toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de weg staat. Doorslaggevend blijft of, gelet op alle feiten en omstandigheden, sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
 

De inhoudingsvrijstelling stond eerder centraal in de Belgische houdsterzaken (18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1162 en ECLI:NL:HR:2025:1163). In die zaken kon de wegdenkgedachte worden gebruikt om aannemelijk te maken dat de tussenschakeling een Nederlands belastingvoordeel opleverde. Die gedachte ziet echter primair op de subjectieve toets: zonder de tussenhoudster zou meer Nederlandse dividendbelasting verschuldigd zijn. Zij beantwoordt niet zelfstandig de vraag of de tussenhoudster tevens een kunstmatige constructie is.

In één van de Belgische zaken was weliswaar sprake van activiteiten op groepsniveau, maar ontbrak actieve bemoeienis met de specifieke Nederlandse deelneming. Ook kon de houdster niet vrijelijk over de ontvangen dividenden beschikken. De economische werkelijkheid wees daarmee in de richting van een passieve tussenschakel zonder voldoende zelfstandige functie. De Hoge Raad bevestigde dat de beoordeling steeds moet plaatsvinden aan de hand van alle feiten en omstandigheden, waaronder de daadwerkelijke functie van de houdster, haar betrokkenheid bij de deelneming en de zeggenschap over dividendopbrengsten.


Ook in het onderhavige Kennisgroepstandpunt is aan de subjectieve voorwaarde voldaan: zonder de EU-houdster zou meer dividendbelasting verschuldigd zijn. Toch leidt dit niet tot weigering van de vrijstelling. De objectieve toets valt anders uit, omdat de houdster niet uitsluitend een passieve schakel in de dividendstroom vormt, maar een aantoonbare eigen functie binnen de groep vervult.


Die zakelijke functie blijkt uit een samenhangend geheel van feiten. De houdster heeft een bankrekening en voert haar boekhouding in de eigen EU-lidstaat. Zij beschikt daar bovendien over een kantoorruimte, die tegen een zakelijke vergoeding ter beschikking wordt gesteld. De bestuurder is in dienst bij de houdster, heeft samen met de Nederlandse medebestuurder een volledig mandaat en verricht structureel hoofdzakelijk strategische, bestuurlijke en financiële werkzaamheden voor de houdster. Deze werkzaamheden leiden volgens het feitenonderzoek tot een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer verwacht kan worden. Het jaarsalaris van EUR 75.000 is, ondanks dat het onder de loonkosteneis van EUR 100.000 ligt, zakelijk geacht in het licht van die werkzaamheden.


Daarbij oefent de houdster op grond van een zakelijke managementovereenkomst strategisch toezicht uit op de operationele werkzaamheden van de Nederlandse werkmaatschappij en op de aansturing van haar personeel. Namens de houdster stelt de bestuurder jaarlijks het budget en de financiële doelstellingen vast en is hij verantwoordelijk voor het vaststellen van de jaarrekening. Voor deze werkzaamheden ontvangt de houdster een zakelijke managementvergoeding. Juist de feitelijke uitvoering van deze werkzaamheden, de daarbij behorende beslissingsbevoegdheid en de zakelijke beprijzing ervan maken dat sprake is van reële toegevoegde waarde. De tussenhoudster is dus niet uitsluitend tussengeschoven om dividendbelasting te besparen, maar vervult een zelfstandige functie die de economische realiteit weerspiegelt. Daarom is geen sprake van een kunstmatige constructie en kan de inhoudingsvrijstelling worden toegepast, ondanks dat niet is voldaan aan één van de formele substance-eisen van EUR 100.000 aan loonkosten.


Voor de praktijk is de boodschap helder: niet het afvinken van de formele substance-eisen, maar de combinatie van feitelijke werkzaamheden, beslissingsbevoegdheid, zakelijke contracten, arm’s-length beloning en aantoonbare waardecreatie bepaalt of een EU-houdster de inhoudingsvrijstelling kan toepassen.

Voor vragen over deze blog kunt u contact opnemen met Laurence Bos (M: +31 6 47 00 58 06, bos@dayonelegal.nl)

Voor verdere informatie over deze blog of advisering over het onderwerp, kunt u contact opnemen met DayOne belastingadviseur Laurence Bos.
+31 6 47 00 58 06 | bos@dayonelegal.nl
laurence bos vrijstaand