professional preparation barista maker cafe(2)

Niet elke wanprestatie rechtvaardigt een ontbinding van een franchiseovereenkomst

Kolenbrander |
10 maart 2026

Volgens de wet geeft iedere tekortkoming van een franchisenemer in de nakoming van de franchiseovereenkomst in beginsel de franchisegever de bevoegdheid om deze franchiseovereenkomst te ontbinden. Tenzij deze tekortkoming – gezien de bijzondere aard of de geringe betekenis van de tekortkoming – deze ontbinding niet rechtvaardigt. Wat betekent dat in de praktijk?

In een recente kwestie bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2026:853 - Klik hier voor het volledige vonnis) had een franchisegever de franchiseovereenkomst met haar franchisenemer ontbonden vanwege een viertal tekortkomingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst. Hoewel de franchisegever zelf al toegaf dat drie van de vier tekortkomingen in haar visie niet ‘zwaar’ genoeg waren om een ontbinding van de franchiseovereenkomst te rechtvaardigen, was de vierde tekortkoming volgens de franchisegever van dermate groot gewicht dat een ontbinding – zeker in combinatie met de drie andere tekortkomingen – wel degelijk gerechtvaardigd was.

Waar ging het over? De franchisenemer exploiteerde een koffiezaak. In 2025 werd deze koffiezaak een tiental keer bezocht door zogenoemde ‘mystery shoppers’; klanten die namens de franchisegever de kwaliteit van de dienstverlening van de franchisenemer beoordeelden. Tijdens deze beoordelingen werd zes keer contant geld van de shoppers aangenomen door de franchisenemer terwijl er in de boekhouding van de franchisenemer geen enkele contante betalingen terugkwamen. Dat was in strijd met de franchiseovereenkomst waarin was bepaald – geparafraseerd – dat een franchisenemer een deugdelijke administratie moest voeren. Dus inclusief contante betalingen.

De franchisegever stelde zich op het standpunt dat als de franchisenemer al bij zes van de tien willekeurige bezoeken door ‘mystery shoppers’ contant geld aannam zonder dit te registreren er waarschijnlijk stelselmatig sprake was van het aannemen van contact geld zonder dit te registreren. Ook omdat bij de overige koffiezaken in de formule er gemiddeld ongeveer 2,5% van de totale omzet afkomstig was vanuit contante betalingen. Geen enkele contante betaling was dan ook zeer verdacht. Uitgaande van een omzet van ongeveer 3% aan contante betalingen zou de franchisenemer in 2025 tenminste € 25.000 aan omzet niet hebben geregistreerd. Dat kwam – aldus de franchisegever – neer op fraude en belastingontduiking.

In het kort geding dat vervolgens werd gevoerd tussen partijen, oordeelt de voorzieningenrechter dat binnen het bestek van het kort geding niet kan worden beoordeeld dat de franchisenemer structureel contact geld heeft aangenomen. Bij de entree was immers aangegeven dat er alleen met pin kon worden afgerekend en de kassa in de betreffende koffiezaak was niet voorzien voor een knop om contante betalingen te registeren. Uit de rapportages van de ‘mystery shoppers’ bleek kennelijk ook dat het niet direct mogelijk was om contant af te rekenen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat in ieder geval vaststaat dat er in zes gevallen sprake is geweest van contante betalingen die niet terug te vinden zijn in de administratie van de franchisenemer. Dat is in beginsel een tekortkoming uit hoofde van de franchiseovereenkomst. Echter, gezien de beperkte omvang en sporadische aard van deze contante betalingen acht de voorzieningenrechter het niet aannemen dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de buitengerechtelijke ontbinding van de franchiseovereenkomst is gerechtvaardigd. Bovendien had de franchisegever volgens de voorzieningenrechter haar vermoeden – dat er contant geld werd aangenomen zonder dit te registreren – eerst met de franchisenemer moeten bespreken en niet (direct) de zware stap van de buitengerechtelijke ontbinding van de franchiseovereenkomst moeten nemen. Daarnaast zijn de (financiële) gevolgen van een buitengerechtelijke ontbinding voor de franchisenemer zo groot dat het belang van de franchisenemer op voorzetting van de franchiseovereenkomst zwaarder weegt dan het belang van de franchisegever op beëindiging vanwege (gestelde) fraude en belastingontduiking.

Kortom, er is aan de zijde van de franchisenemer weliswaar sprake van een tekortkoming uit hoofde van de franchiseovereenkomst, maar aangezien niet vast kwam te staan dat deze tekortkoming van voldoende omvang was, bleek de ontbinding niet gerechtvaardigd. Ook had de franchisegever volgens de voorzieningenrechter de tekortkoming eerst moeten bespreken. Deze zaak toont dan ook het belang aan van voldoende dossieropbouw aan de kant van de ontbindende partij. Niet iedere tekortkoming rechtvaardigt een ontbinding.

Voor vragen over franchiseovereenkomsten en het beëindigen daarvan kunt u contact opnemen met DayOne, Jan-Willem Kolenbrander (kolenbrander@dayonelegal.nl)

Voor verdere informatie over deze blog of advisering over het onderwerp, kunt u contact opnemen met DayOne advocaat Jan-Willem Kolenbrander.
+31 6 16 06 60 00 | kolenbrander@dayonelegal.nl
jan willem