20260706   nederlandse versie nova iberomoldes(1)

Vrijstelling van overdrachtsbelasting bij aandelenfusie op grond van uitspraak Europese Hof van Justitie in Portugese zaak

de Winter, van Dijk |
07 juli 2026

Op 4 juni 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak Nova Iberomoldes (C-837/24). Dit arrest heeft ook gevolgen voor de Nederlandse overdrachtsbelasting bij de verkrijging van aandelen in zogenoemde onroerendezaakrechtspersonen (OZR's) in de zin van artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR).

Feiten
Nova Iberomoldes (NI) werd in Portugal opgericht als houdstervennootschap. Haar maatschappelijk kapitaal werd volledig volgestort door middel van de inbreng van aandelenbelangen in diverse vennootschappen. Eén van die vennootschappen was eigenaar van twee Portugese percelen grond. Als tegenprestatie voor de inbreng ontving de inbrengende aandeelhouder alle aandelen in NI.

De Portugese Belastingdienst legde een aanslag op voor de Portugese belasting (IMT) in verband met de overdracht van onroerende zaken. Naar Portugees recht kan de verkrijging van aandelen in een vennootschap die onroerende zaken bezit, worden aangemerkt als een belastbare overdracht van onroerende zaken indien bepaalde eigendomsdrempels worden overschreden.

NI betwistte de aanslag en stelde dat de transactie een herstructurering vormde die onder het toepassingsgebied viel van Richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (Richtlijn 2008/7), zodat heffing van enige indirecte belasting verboden was.

Arrest van het HvJ EU
Het Hof oordeelde dat de transactie kwalificeerde als een herstructurering in de zin van artikel 4, lid 1, onder b, van Richtlijn 2008/7. De nieuw opgerichte vennootschap verwierf aandelenbelangen die een meerderheid van de stemrechten vertegenwoordigden in andere vennootschappen, terwijl de vergoeding bestond uit aandelen die door de verkrijgende vennootschap zelf werden uitgegeven.
Nadat het Hof had vastgesteld dat de transactie kwalificeerde als een herstructurering, oordeelde het dat artikel 5, lid 1, onderdeel e, van Richtlijn 2008/7 de lidstaten verbiedt om enige vorm van indirecte belasting te heffen over dergelijke transacties. Het Hof benadrukte daarbij dat het in artikel 5 van Richtlijn 2008/7 neergelegde belastingverbod geenszins is beperkt tot belastingen die rechtstreeks over de inbreng als zodanig worden geheven, aangezien een dergelijke beperkte uitleg afbreuk zou doen aan het nuttig effect van die bepaling.

Het Hof oordeelde ook dat de Portugese IMT een indirecte belasting vormde in de zin van de Richtlijn 2008/7. Hoewel de heffingsmaatstaf werd bepaald aan de hand van de onderliggende waarde van de onroerend zaken, werd de belasting getriggerd door de aandelenruiltransactie zelf. Het Hof beschouwde de belasting daarom als samenhangend met het bijeenbrengen van kapitaal en vallend onder het verbod van artikel 5 van de Richtlijn 2008/7.

De Portugese regering beriep zich vervolgens op de uitzonderingen van artikel 6 van Richtlijn 2008/7. Het Hof verwierp deze argumenten. Artikel 6 vormt een uitzondering op het belastingverbod van artikel 5 en moet strikt worden uitgelegd. De aandelenovergang vormde geen zelfstandige effectentransactie maar maakte integraal onderdeel uit van de herstructurering. Bovendien had geen eigendomsoverdracht van het onderliggende onroerend zaken plaatsgevonden, nu de onroerende zaken eigendom waren gebleven van dezelfde dochtervennootschap.

Het HvJ EU verwierp ook het door Portugal ingeroepen misbruikargument. Hoewel lidstaten belastingontwijking mogen bestrijden, mogen zij daartoe geen algemene vermoedens hanteren. De Portugese bepaling was automatisch van toepassing op alle kwalificerende aandelenverkrijgingen waarbij vennootschappen met vastgoedvermogen zijn betrokken, en ging daarmee verder dan noodzakelijk om misbruik te bestrijden.

Relevantie voor Nederland
Het arrest is van bijzonder belang omdat de Portugese IMT sterke gelijkenis vertoont met de Nederlandse overdrachtsbelastingregels die van toepassing zijn op de verkrijging van aandelen in OZR's op grond van artikel 4 WBR. Het doel van die bepaling is te voorkomen dat via het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan.

De redenering van het Hof suggereert dat, voor zover aandelen in OZR’s worden ingebracht als onderdeel van een kwalificerende herstructurering, zoals een aandelenfusie, de daardoor verschuldigde overdrachtsbelasting mogelijk moet worden aangemerkt als een indirecte belasting op het bijeenbrengen van kapitaal die verboden is door Richtlijn 2008/7. Dit kan met name van belang zijn voor:

  • aandelenfusies (aandelenruil);
  • interne groepsreorganisaties;
  • bedrijfsherstructureringen waarbij OZR's zijn betrokken; en
  • mogelijk bepaalde juridische fusies en splitsingen waarbij OZR's zijn betrokken.

Het arrest roept bovendien fundamentele vragen op over de Nederlandse vrijstellingen bij herstructureringen en de daarmee verbonden aanhoudings- en voortzettingseisen. Als het Unierecht de belastingheffing bij specifieke herstructureringstransacties reeds verbiedt, hoeft in beginsel geen beroep te hoeven worden gedaan op de binnenlandse vrijstellingen en zijn de bijbehorende aanhoudings- en voortzettingseisen dus niet verenigbaar met het Unierecht.

Om discussie te voorkomen raden we aan te zorgen dat aan de letterlijke vereisten voor vrijstelling wordt voldaan. Zo is het verstandig dat wel aandelen worden uitgegeven, en moet niet wordt volstaan met een agiostorting, en is het ook verstandig meerdere aandelen uit te geven.

Conclusie    
Het arrest Nova Iberomoldes (C-837/24) is mogelijk één van de meest ingrijpende ontwikkelingen in de overdrachtsbelasting van de afgelopen jaren. Het Hof heeft zich niet uitgesproken over de Nederlandse overdrachtsbelastingregels, maar de door het HvJ EU gebruikte redenering lijkt één-op-één van toepassing op Nederlandse situaties waarbij aandelen in OZR's worden overgedragen als onderdeel van een kwalificerende herstructurering in de zin van Richtlijn 2008/7, als aan alle eisen wordt voldaan, met als effect dat in die gevallen de heffing van Nederlandse overdrachtsbelasting strijdig is met de Richtlijn 2008/7.

Voor verdere informatie over deze blog of advisering over het onderwerp, kunt u contact opnemen met DayOne fiscalist Luke de Winter.
+31 6 44 79 73 98 | dewinter@dayonelegal.nl
luke de winter