• dayonelegal

Klantenvergoeding bij einde agentuurovereenkomst

Bijgewerkt: 1 feb 2019


Agentuurovereenkomst

Ondernemingen laten soms een agent bemiddelen bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen de onderneming (principaal) en de klant. Als de agentuurovereenkomst tussen principaal en agent eindigt, neemt de agent mogelijk het standpunt in dat de principaal verplicht is hem een klantenvergoeding (ook wel goodwill genoemd) te betalen. Het recht op een dergelijke klantenvergoeding is wettelijk vastgelegd (artikel 7:442 BW), welke vastlegging gebaseerd is op een Europese richtlijn.

Voorwaarden recht op klantenvergoeding en bewijslast bij agent

Een agent heeft niet zonder meer recht op een klantenvergoeding. In een recent arrest, Prijsvrij/Corendon, heeft de Hoge Raad nogmaals uiteengezet aan welke voorwaarden voldaan moet zijn, wil er een recht op een klantenvergoeding bestaan. Op deze voorwaarden ga ik hierna nader in. Daarnaast blijkt uit het arrest van de Hoge Raad dat de stel- en bewijslast rusten bij de agent. De agent zal onder meer aannemelijk moeten maken dat hij klanten bij de principaal heeft aangebracht of overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal ook na het einde van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen opleveren. Slaagt de agent niet in deze stel- en bewijslast, dan zal aan hem geen klantenvergoeding verschuldigd zijn.

Arrest Hoge Raad 19 mei 2017 (Prijsvrij/Corendon)

Het recente arrest van de Hoge Raad ging over een geschil tussen Corendon, een reisorganisator die haar reizen onder meer aanbiedt via handelsagenten, en Prijsvrij. Prijsvrij was één van de agenten van Corendon en vorderde van Corendon een klantenvergoeding op grond van artikel 7:442 BW. Deze vergoeding werd in eerste aanleg toegewezen, echter in hoger beroep afgewezen en de Hoge Raad is het met deze afwijzing eens.

De Hoge Raad overweegt dat de vaststelling van de klantenvergoeding in drie fasen verloopt: In de eerste fase moeten de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren, gekwantificeerd te worden; dit dient te gebeuren conform de handvaten die de Hoge Raad gaf in het T-Mobile/Klomp arrest uit 2012. Vervolgens moet in de tweede fase beoordeeld worden of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name gelet op de door de agent gederfde provisie. Ten slotte wordt in de derde fase getoetst of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van artikel 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat. Dit maximumbedrag is gelijk aan de beloning van de agent voor één jaar, gebaseerd op een gemiddelde van de laatste vijf jaren.

Aan de kwantificering die in de eerste fase moet plaatsvinden, ligt echter de veronderstelling ten grondslag dat aannemelijk is dat de agent klanten bij de principaal heeft aangebracht of overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal na het einde van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen opleveren. Voordat aan de kwantificering in de eerste fase kan worden toegekomen, zal de agent daarom aannemelijk moeten maken dat de principaal van de door hem aangebrachte klanten, of van klanten waarmee hij de overeenkomsten heeft uitgebreid, nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten.

In de zaak tussen Prijsvrij en Corendon slaagde Prijsvrij niet in haar stel- en bewijslast. Volgens de Hoge Raad heeft Prijsvrij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Corendon nog aanzienlijke voordelen kan verwachten van de nieuwe of geïntensiveerde klantrelaties. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft Prijsvrij onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat klanten bij het type reizen waarom het in dit geval gaat, hun keuze baseren op de touroperator en niet op de prijs. Daarnaast beschikte Corendon bijvoorbeeld niet over adresgegevens van de klanten van Prijsvrij waarmee zij zich (door marketing) een voordeel kan verschaffen.

Conclusie

Uit de overwegingen van de Hoge Raad blijkt nog maar eens dat bij het einde van een agentuurovereenkomst niet zonder meer een aanspraak op een klantenvergoeding bestaat. Op de agent rusten de stel- en bewijslast. Kort en goed dient de agent eerst aannemelijk te maken dat de principaal nog aanzienlijke voordelen kan verwachten van de nieuwe of geïntensiveerde klantrelaties. Lukt dit, net als bij Prijsvrij, niet, dan bestaat geen recht op een klantenvergoeding. Maakt de agent één en ander wel voldoende aannemelijk, dan dient de vaststelling van de klantenvergoeding in drie fasen plaats te vinden. Ondernemingen dienen zich dus niet onnodig te laten weerhouden van het sluiten van agentuurovereenkomsten. Mocht er na einde agentuurovereenkomst (toch) een geschil over de verschuldigdheid van een klantenvergoeding ontstaan, dan is het zaak dat - net als overigens in andere procedures - voldoende gesteld wordt en de stellingen voldoende onderbouwd worden.

Wij hebben ruime ervaring in het opstellen van (agentuur)overeenkomsten en het voeren van procedures. Wij staan u graag bij ter afwending, of juist ter begeleiding, van een procedure.

Edith Groenewegen-Caris (groenewegen@dayonelegal.nl)


9 keer bekeken