portrait tired man rubbing his eyes after looking laptop screen working computer sitting cafe having break taking off his glasses(1)

Louter gebrek aan werkplezier geen reden beëindiging franchiseovereenkomst 

Kolenbrander |
29 september 2026

In een franchise- en huurovereenkomst staat doorgaans een zogenoemde exploitatieverplichting. Dat is een contractueel beding dat de franchisenemer verplicht om de exploitatie van de gefranchisede onderneming daadwerkelijk en actief in gebruik te houden gedurende de looptijd van de overeenkomst. Anders gezegd: de franchisenemer mag er niet zomaar voor kiezen om de exploitatie geheel of gedeeltelijk te staken gedurende de looptijd van de overeenkomst(en).

Maar wat nu als de franchisenemer in kwestie aangeeft dat de exploitatie hem geen enkel werkplezier geeft en dat hij er maandelijks te weinig geld aan overhoudt? Zou dat wel een gerechtvaardigde aanleiding kunnen zijn om de deuren te sluiten van de gefranchisede onderneming?

Casus
Juist die vragen kwamen aan bod in een uitspraak van de Rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2026:9708 - Klik hier voor het volledige vonnis). Een franchisegever en een franchisenemer hadden zowel een franchise- als een onderhuurovereenkomst met elkaar gesloten. In de onderhuurovereenkomst stond een exploitatieverplichting op grond waarvan de franchisenemer de gefranchisede onderneming minimaal geopend moest houden voor het publiek als het winkelcentrum was geopend. Ook in de franchiseovereenkomst stond een exploitatieverplichting.

Een jaar na het tekenen van deze overeenkomsten liet de franchisenemer aan de franchisegever weten dat hij voornemens was om de exploitatie van de gefranchisede onderneming te staken. Hij had geen werkplezier meer in de exploitatie en de financiële situatie was evenmin rooskleurig; het eerste half jaar van 2026 had de franchisenemer kennelijk een cumulatieve nettowinst van ongeveer slechts € 5.052,50 behaald.

De franchisegever was echter niet akkoord dat deze franchisenemer zomaar de exploitatie van zijn gefranchisede onderneming staakte en probeerde via een kort geding de franchisenemer te dwingen alsnog de exploitatie weer ter hand te nemen.

De voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter geeft de franchisegever gelijk: in ieder geval op grond van de onderhuurovereenkomst was de franchisenemer gehouden tot exploitatie van de gefranchisede onderneming. Of die exploitatieplicht kan worden afgedwongen, hangt aldus de voorzieningenrechter af van een belangenafweging. 

Een tegenvallende exploitatie – zoals in dit geval – komt in beginsel voor rekening en risico van de franchisenemer. Dat betekent volgens de rechter echter niet dat de franchisenemer onder alle omstandigheden gehouden is de gefranchisede onderneming te blijven exploiteren. Indien een franchisenemer ‘aanzienlijke verliezen’ lijdt, kan volgens de rechter onder omstandigheden het belang van de franchisenemer bij staking van de exploitatie zodanig zwaar wegen dat het belang van de franchisegever bij nakoming van de exploitatieverplichting hiervoor moet wijken. Dit vloeit voort uit artikel 6:248 Burgerlijk Wetboek (‘BW’). 

Wanneer is er echter sprake van ‘aanzienlijke verliezen’? In een eerdere uitspraak heeft de Hoge Raad daarover opgemerkt dat hiervan sprake kan zijn als een schuldenaar slechts zou kunnen voldoen aan zijn verplichtingen door het brengen van offers die, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in redelijkheid niet van hem kunnen worden gevergd. Het moet dus gaan om structurele verlieslatendheid die met stukken kan worden onderbouwd.

Dat de gefranchisede onderneming van de franchisenemer (zwaar) verlieslijdend was, was echter niet onderbouwd door de franchisenemer met stukken. In dat kader had de franchisenemer de rechter dus onvoldoende munitie gegeven. Aldus de franchisegever was er sprake van een (beperkte) winst van ongeveer € 840,00 per maand. Dat is volgens de rechter niet rooskleurig maar daaruit valt niet op te maken dat de gefranchisede onderneming verlieslatend zou zijn. Het gebrek van werkplezier van de franchisenemer is evenmin een (goede) reden voor de franchisenemer om de exploitatie te staken, aldus de rechter.

De franchisenemer wordt vervolgens veroordeeld om alsnog weer de exploitatie ter hand te nemen, bij gebreke waarvan hij een dwangsom van € 1.000 per dag verbeurt met een maximum van € 30.000.

Afsluitend
Enkel gebrek aan werkplezier en een magere nettowinst zijn dus geen grond om de exploitatie van een gefranchisede onderneming voortijdig te staken. De franchisenemer moet dan blijven voldoen aan zijn exploitatieverplichting. Wil een franchisenemer succesvol aanvoeren dat nakoming van zo’n exploitatiebeding in redelijkheid niet van hem gevergd kan worden, dan moet hij aantoonbaar structureel verlieslatend zijn. Dat betreft een hoge maatstaf die niet snel wordt behaald.

Voor vragen over exploitatieverplichtingen en franchiseovereenkomsten kunt u contact opnemen met DayOne, Jan-Willem Kolenbrander (kolenbrander@dayonelegal.nl)

Voor verdere informatie over deze blog of advisering over het onderwerp, kunt u contact opnemen met DayOne advocaat Jan-Willem Kolenbrander 
+31 6 16 06 60 00 | kolenbrander@dayonelegal.nl
jan willem