parket hr bevestigt dealer  en reparateurovereenkomsten niet aan te merken als franchise(1)

Parket Hoge Raad bevestigt: dealer- en reparateursovereenkomsten niet aan te merken als franchise

Kolenbrander |
02 juni 2026

Is er sprake van een franchiseovereenkomst of toch niet? Eerder besprak ik hier al de uitspraken van de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam inzake de zogenoemde ‘Stellantis’-zaken. Klik hier voor die eerdere blog. Onlangs heeft ook de Procureur-Generaal van de Hoge Raad zich over deze kwestie gebogen en zijn visie daarop gegeven.

Casus
De centrale rechtsvraag in de ‘Stellantis’-kwestie is – kort samengevat – in hoeverre de autodealers van de merken Opel, Citroën en Peugeot franchisenemers zijn van de autofabrikant/distributeur Stellantis Nederland.

Aldus deze autodealers waren zij eigenlijk franchisenemers van Stellantis en waren de contracten, die zij hadden gesloten met Stellantis, te kwalificeren als franchiseovereenkomsten in de zin van de Wet franchise (art. 7:911 Burgerlijk Wetboek e.v.). Zou inderdaad worden aangegeven dat deze autodealers franchisenemers zouden zijn in de zin van de Wet franchise, dan zouden zij aanspraak kunnen maken op diverse rechten uit de Wet franchise. Bijvoorbeeld ten aanzien van het opnemen van een goodwill-bepaling in de franchiseovereenkomst (art. 7:920 BW) en aanspraak kunnen maken op een instemmingsrecht (art. 7:921 BW).

Eerdere procedures
In eerste aanleg bij de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2023:4851) is geoordeeld door de rechtbank dat de dealercontracten tussen Stellantis en haar autodealers niet te kwalificeren zijn als een franchiseovereenkomst in de zin van de Wet franchise. Aldus deze uitspraak kan er geen sprake zijn van een franchiseovereenkomst in de zin van de Wet franchise, omdat het daarvoor noodzakelijke element van een ‘vergoeding’ ontbreekt. Volgens de rechtbank kan op grond van de voorhanden stukken niet geconcludeerd worden dat de autodealers enige (franchise)vergoeding verschuldigd zouden zijn aan Stellantis voor deelname aan de keten. Terwijl dat op grond van artikel 7:911 lid 1 BW wel noodzakelijk is.

In hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:673) werd ook geoordeeld dat de dealercontracten tussen Stellentis en haar autodealers niet te kwalificeren zijn als een franchiseovereenkomst in de zin van de Wet franchise. Aldus het gerechtshof is – kort samengevat – niet gebleken uit de wetsgeschiedenis van de Wet franchise dat de wetgever heeft beoogd om overeenkomsten, die vóór de invoering van de Wet franchise niet te kwalificeren zouden zijn als franchiseovereenkomsten, na invoering van de Wet franchise wél ineens als franchiseovereenkomsten zijn te beschouwen. Het gerechtshof oordeelt vervolgens dat – omdat de dealercontracten vóór de invoering van de Wet franchise niet beschouwd konden worden als franchiseovereenkomsten – er na de invoering van de Wet franchise geen aanleiding is om die dealercontracten alsnog te kwalificeren als franchiseovereenkomsten in de zin van de Wet franchise.

Parket Hoge Raad
Naar aanleiding van het (tegenvallende) oordeel van de gerechtshof Amsterdam hebben de autodealers cassatie aangetekend bij het hoogste rechtsorgaan in Nederland, de Hoge Raad te Den Haag.

In een advies aan de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2026:506) concludeert de Procureur-Generaal (P-G) om het cassatieberoep van de autodealers te verwerpen. Dus om hen geen gelijk te geven.

Hoewel de (uitvoerige) conclusie op allerlei punten ingaat, lijkt volgens de P-G het meest wezenlijk argument daarvoor te zijn dat de autodealers niet via een franchiseformule hun onderneming exploiteren en ook niet willen exploiteren. Er moet sprake zijn van een uniforme identiteit en uitstraling van de ondernemingen die betrokken zijn bij de franchise. Aldus de P-G moet voor het publiek, zijnde de klanten van de keten, sprake moeten zijn van één herkenbare formule. Er moet sprake zijn van eenheid. Is de keten niet gericht op een uniforme identiteit en uitstraling, dan is er geen sprake van een franchiseovereenkomst in de zin van de Wet franchise.

Daarvan blijkt bij de autodealers van Stellantis geen sprake te zijn. Met name de grotere autodealers hebben een eigen naam en uitstraling waaronder zij hun onderneming exploiteren en auto’s verkopen. Maar ook bij andere dealers blijkt de uniformiteit niet aanwezig. Er is vanuit de dealers – geparafraseerd - meer aandacht voor het product, te weten de verkoop van auto’s, dan een diep gekoesterde wens om onder een gemeenschappelijke naam en uitstraling een franchiseonderneming te willen exploiteren. Aldus de P-G zijn de autodealers dus geen franchisenemers.

Afsluitend
Het wachten is dus nu op het arrest van de Hoge Raad inzake de ‘Stellantis’-zaak. Gaat de Hoge Raad mee in de conclusie van haar P-G? Of ziet de Hoge Raad – ondanks de uitvoerige conclusie van haar P-G – aanleiding om tot te oordelen dat de autodealers van Stellantis franchisenemers zijn in de zin van de Wet franchise? Binnenkort meer!

Voor vragen over de Wet franchise en franchiseovereenkomsten kunt u contact opnemen met DayOne, Jan-Willem Kolenbrander (kolenbrander@dayonelegal.nl)

Voor verdere informatie over deze blog of advisering over het onderwerp, kunt u contact opnemen met DayOne advocaat Jan-Willem Kolenbrander.
+31 6 16 06 60 00 | kolenbrander@dayonelegal.nl
jan willem